|
Kaasbereiding (Nederland)
De eerste stap in kaasbereiding is het toevoegen van stremsel en
zuursel aan de melk. Hierdoor gaan de eiwitten, vooral het
caseïne, in de melk samenklonteren, waarbij het vet en vocht
ingesloten wordt. Zo ontstaat de wrongel. Het zuursel bevat de
melkzuurbacterie Lactococcus, de 'bolvormige melkbacterie'.
Stremsel wordt gewonnen uit de maaginhoud van jonge dieren,
bijvoorbeeld van kalveren of kunstmatig gemaakt.
De witte, nog slappe wrongel die maar enkele uren was geperst
werd vooral vroeger in Amsterdam gegeten als meikaas.
Tegenwoordig is meikaas nauwelijks meer verkrijgbaar, omdat er
slechts enkele liefhebbers van zijn.
Vervolgens wordt door snijden en verwarmen zo veel mogelijk
vocht uit de wrongel geknepen. Het afgetapte vocht heet wei. De
wei bevat nog waardevolle stoffen en wordt bijvoorbeeld in
dierenvoeding gebruikt, maar ook in sommige frisdranken
toegepast.
De wrongel wordt in een vat gedaan en verder samengeperst.
Vervolgens wordt de wrongel in zout water gedompeld (het
zogenaamde pekelbad). Het zout dat in de kaas dringt bevordert
de korstvorming, de stevigheid, de smaak en ook de houdbaarheid.
Een fabriekskaas blijft langer in de pekel liggen dan een echte
boerenkaas; daardoor verliest de kaas meer vocht en wordt
zouter. Een normale Goudse fabriekskaas zit op ongeveer 3,5%
zout, een fabriekskaas met 25% minder zout (maaslander) op
ongeveer 2,5%, en een boerenkaas op ongeveer 2%.
De kaas is na het pekelbad nog slap en heeft weinig smaak. Door
de kaas te laten rijpen wordt ze steviger. De rijping duurt 4
weken tot 1 jaar. Hoe langer de kaas rijpt, des te meer aroma's
(smaak) wordt gevormd. De meeste Nederlanders hebben een
uitgesproken voorkeur voor kaas met een bepaalde rijpingstijd.
Om de rijpingstijd van een kaas aan te geven bestaan er
verschillende termen. Deze termen zijn weergegeven in de
onderstaande tabel.
Benaming Rijpingstijd
Jonge kaas 3 weken
Jong belegen 10 weken
Belegen 4 maanden
Extra belegen 8 maanden
Oude kaas 12 maanden
Overjarige kaas 16 maanden of meer
Tijdens het rijpingsproces ontstaan gaten in de kaas, die worden
veroorzaakt door de uitzetting van het "laatgas". In Nederlandse
kaas zitten meestal weinig gaten. Diverse kaassoorten worden
bereid met hulp van schimmels die door de kaas heen
(blauwschimmelkaas) of op de korst (witschimmelkaas) worden
aangebracht.
Geschiedenis
In de prehistorie werd in Nederland al kaas gemaakt. Dit blijkt
uit gevonden aardewerk potjes uit ± 800 v. Chr. met gaatjes,
waarin de wrongel uitlekte en kon drogen. In zijn boek 'De bello
Gallico' van Julius Caesar uit 57 voor Christus schreef hij dat
in onze streken kaas werd gegeten. De provincies Noord-Holland,
Zuid-Holland en Friesland zijn door de natte bodem het meest
geschikt voor het houden van melkvee. In de Middeleeuwen werd al
Nederlandse kaas naar het buitenland geëxporteerd. Nederland
wordt vanaf de Gouden Eeuw (1600-1700) in het buitenland bekend
als kaasland.
Vroeger werd kaas door meestal de boerinnen zelf op de boerderij
gemaakt. Eind 19e eeuw kwamen zuivelfabrieken op. Vooral in
veenweidegebieden van Zuid-Holland en Utrecht zijn nog boeren
die zelf kaas maken. Momenteel (2001) zijn dat er nog ongeveer
500, waarbij ook nieuwe kaasboerderijen zijn opgericht in andere
provincies.
De Alkmaarse waag functioneert sinds 1581 als kaaswaag. De kaas
werd vaak per schip aangevoerd. Het gilde van de kaasdragers
bestaat als sinds 1619. De kaasmarkt van Alkmaar is momenteel
alleen nog een toeristische attractie.
Franse kloosters – de wieg van verschillende kaassoorten
Typerend aan de Middeleeuwen was de spreiding van het kloosterleven, omdat ze
het middelpunt waren van agrarische productie. Sommige welbekende Franse
kaassoorten zoals
Port Salut, Maroilles and Saint-Nectaire zijn de namen van kloosters die toen
bekend stonden om hun productie van de bovengenoemde kaassoorten. Evenals de
Pont l’Evêque en Livarot die ook producten zijn van Franse kloosters. De naam
Munster komt van het Latijns-Griekse woord monasterium, dat vertaald is in
klooster. Benedictine kloosters beschouwden zuivelproducten en kaas als het
ideale etenswaar en wilden per se aanhankelijkheid bij de procedures van
bereiding en hygiënische maatregelen. De reputatie van de kloosters was niet
alleen gebaseerd op het geloof van de monniken, maar ook op de constante hoge
kwaliteit van de geproduceerde producten. Voor het eerst kan duidelijk de
gedachtegang gezien worden van de Appellation d’Origine Controlée (AOC). In het
jaar 1550 waren er al meer dan 50 kaarssoorten. Zelfs vandaag de dag staat er op
menig kaaslabel, vooral van zachte kazen, een foto van een vrolijk rood gezicht
van een monnik, een personificatie van eeuwenlange ervaring. Behalve het klimaat
en de agrarische kant van Frankrijk zijn er nog meer belangrijke redenen waarom
er zoveel verschillende soorten kaas ontwikkeld konden worden. De Middeleeuwen
en de toenmalige sociale verwarringen maakten het onmogelijk meer ervaring uit
te wisselen.
Bron: fransekaas.nl
Belgische kazen
Belgische kazen zijn te herkennen aan het logo van een kaasstolp
in de kleuren zwart, geel en rood, duidelijk gesigneerd met
"Belgische kazen". Het logo van de Belgische kazen is tevens een
kwaliteitsgarantie.
Belgische kazen hebben een lange traditie, maar een tamelijk
recente geschiedenis. Verschillende kaasproducenten in België
maakten hun eigen kaas, dikwijls volgens de eigenheid van de
streek. Paterskazen, hoevekaas, mandjeskaas, Brusselse kaas,
Hervekaas en andere genoten wel een stevige reputatie, maar
werden onvoldoende herkend als Belgische kazen. Vooral de
promotieacties van de toenmalige Nationale Dienst voor Afzet van
Land- en Tuinbouwproducten (NDALTP) hebben de Belgische kazen
bekendheid gegeven. In 1995 heeft VLAM de promotieactiviteiten
voor Belgische kazen verder gezet.
Medailles voor Belgische kazen
In de jaren ’80 reikte de NDALTP medailles uit aan de Belgische
kazen die zich in eigenheid konden onderscheiden. De vorm,
smaak, naam, verpakking of etiket speelden een belangrijke rol
om als typische Belgische kaas herkenbaar te zijn.
Bron: belgischekazen.be
|